VOOR ORGANISATIES DIE TE MAKEN KRIJGEN MET VERGUNNINGAANVRAGEN VAN INTENSIEVE VEEHOUDERIJEN OF VOOR OMWONENDEN DIE TE MAKEN KRIJGEN MET OVERLAST VAN DERGELIJKE BEDRIJVEN, GEVEN WIJ HIER DE VOLGENDE TIPS EN INFORMATIE:

 

Veehouderijbedrijven zijn in vergelijking met industriële bedrijven relatief klein en verspreid door het land. Als natuur- en milieuorganisatie of als omwonende is de kans daarom groot dat je met de gevolgen van een dergelijk bedrijf te maken krijgt. Er bestaat bovendien afzonderlijke regelgeving voor, die niet geldt voor andere industriële bedrijven.

 

Voor de bescherming van de natuur en het milieu zijn de belangrijkste vergunningen die men nodig heeft, milieuvergunningen en natuurbeschermingswetvergunningen.

 

Tips vind je hieronder. Gepoogd is een eenvoudig en daardoor niet volledig overzicht te geven. Voor fouten of onjuistheden kan de stichting niet aansprakelijk worden gesteld.

 

MILIEUVERGUNNINGEN

Intensieve veehouderijen hebben een milieuvergunning nodig. Meer extensieve veehouderijen, zoals melkrundveehouderijen, meestal niet.

 

Procedure

De procedure begint met de publicatie van het ontwerpbesluit. Dit wordt in de plaatselijke krant gepubliceerd. De omwonenden hoeven niet meer door de gemeente aangeschreven te worden. Er is 6 weken de tijd om een zienswijze in te dienen (de formele term voor een bezwaarschrift). Dit staat aangegeven in de publicatie. Deze deadline is keihard. Wie te laat is, kan verder niet meer procederen.

 

Vervolgens wordt de definitieve vergunning afgegeven. Wie een zienswijze heeft ingebracht moet de vergunning thuisgestuurd krijgen van de gemeente. Er is dan ook weer 6 weken de tijd om beroep aan te tekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA  Den Haag. Ook die termijn is keihard. Wie te laat is wordt niet ontvankelijk verklaard. Het aantekenen van beroep kost griffiegeld: 288,00 euro voor organisaties en 145,00 euro voor privé-personen.

Alleen belanghebbenden kunnen beroep aantekenen. Dat wil zeggen dat je in de buurt van het bedrijf moet wonen of, als je een stichting of vereniging bent, je het milieubelang dat bedreigd wordt door de vergunning in je doelstelling hebt staan en je dit milieubelang ook behartigt in je feitelijke werkzaamheden.

Ook mag je geen beroep aantekenen als je niet eerder een zienswijze hebt ingediend tegen het ontwerpbesluit.

 

De gemeente moet in de overwegingen bij de vergunning ingaan op je ingebrachte zienswijzen. Doen ze dat niet, dan kun je in beroep daarover klagen.

 

Het beroep moet zich niet beperken tot een herhaling van de zienswijzen. Je moet ingaan op de argumenten die de gemeente aanvoert. Verder moet je in beroep niet met andere onderwerpen aankomen dan in de zienswijze. Klaag je b.v. in de zienswijze over geluidshinder, dan moet je in beroep niet ineens over stankhinder beginnen.

 

Als je beroep aantekent, kan de milieuvergunning van kracht worden voordat op het beroep is beslist, en dat kan er toe leiden dat het bedrijf er al staat voordat de Raad van State uitspraak heeft gedaan. Om dat te voorkomen, kun je samen met het beroep ook een schorsingsverzoek indienen bij de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een soort kort geding. Er komt dan snel een zitting, en als het verzoek wordt toegewezen wordt de vergunning geschorst zodat hij niet van kracht wordt. Voor een schorsingsverzoek moet apart griffiegeld betaald worden. De bedragen zijn hetzelfde als bij een beroep.

 

Een schorsingsverzoek wordt in de regel tussen enkele weken of enkele maanden op de zitting behandeld en er volgt een uitspraak in principe binnen 2 weken na de zitting.

Een beroep wordt in de regel tussen ˝ jaar en een jaar nadat het is ingediend op de zitting behandeld en er volgt een uitspraak in principe binnen 6 weken na de zitting.

 

De belangrijkste milieu-onderwerpen zijn de volgende:

 

Ammoniakemissie

In de buurt van zogenoemde Natura2000-gebieden geldt een strikter ammoniakbeleid. Een lijst met deze gebieden vind je hier. Tegenwoordig wordt in de meeste gevallen dit echter via de Natuurbeschermingswetvergunning geregeld. Alleen Natura2000-gebieden die via de Habitatrichtlijn worden beschermd, maar niet via de Vogelrichtlijn en die ook niet als natuurmonument zijn aangewezen, worden nog rechtstreeks via de milieuvergunning getoetst. Op de kaarten bij de lijst met gebieden staat aangegeven welke gebieden of welke delen van gebieden hieraan voldoen.

 

Van belang bij de Natura2000-gebieden is de kritische depositiewaarde. Dat is de depositie die een natuurgebied nog net kan verdragen zonder dat er schade optreedt. De hoogte van de kritische depositiewaarde is afhankelijk van het type natuurgebied. In de meeste gevallen is de achtergrondbelasting met stikstof al zo groot dat de kritische depositiewaarde al (fors) wordt overschreden. Een kaart met achtergronddeposities vind je hier. De ammoniakemissie van een bedrijf mag dan in principe niet toenemen, want ook ammoniak is een stikstofbron.

 

Veel gemeenten geven nog vergunningen af tot een ammoniakdepositie ter hoogte van 5 % van de kritische depositiewaarde. Vanuit de milieubeweging is er veel kritiek op dit beleid omdat het toenames toestaat in al overbelaste situaties. Onlangs is er een vergunning geschorst op basis van dit beleid. Het is dan ook zinvol dit beleid aan te vechten.

 

Andere verzuringsschade wordt getoetst aan de Wet Ammoniak en Veehouderij. Die wet stelt dat binnen 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied de ammoniakemissie beneden het niveau moet blijven dat volgens de oude vergunning was toegestaan, als die oude vergunning betrekking zou hebben op emissie-arme huisvesting. Dit wordt het gecorrigeerd emissieplafond genoemd. Er zijn wel een aantal uitzonderingen op, maar dat is de hoofdregel. Het is dan zaak te controleren of de berekening van de oude ammoniakemissie op basis van emissie-arme stalsystemen, klopt. Vooral is het dan ook van belang de oude vergunning op te vragen om te bekijken of wel de juiste aantallen dieren als oud recht zijn opgegeven. Daar worden nog wel eens fouten mee gemaakt. De oude vergunning kan bijvoorbeeld voor een deel van rechtswege vervallen zijn of de oude vergunning kan niet van kracht zijn geworden omdat er geen bouwvergunning is verleend. In de Wet milieubeheer staat namelijk dat een milieuvergunning niet van kracht wordt als niet (alle) bouwvergunning(en) die voor die milieuvergunning nodig zijn, zijn afgegeven. Het is zinvol dat te controleren.

 

Als het bedrijf op meer dan 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt moet je kijken of het onder de Europese IPPC-Richtlijn valt. Dat is het geval als er meer dan 40.000 kippen, 2000 mestvarkens of 750 zeugen zijn. Volgens de wetstekst moet dan de vergunning worden geweigerd wanneer niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd. De jurisprudentie over deze ingewikkelde bepaling is nog niet uitgekristalliseerd, maar het is de moeite waard om bij forse toenames van ammoniakemissie aan te voeren dat dat niet toelaatbaar is wanneer de kritische depositiewaarde al fors overschreden wordt. Vooral wanneer onvoldoende emissie-arme technieken worden ingezet.

 

Bij hoge ammoniakconcentraties kan er directe ammoniakschade op gewassen optreden. Tot op heden wordt getoetst aan het rapport Stallucht en Planten. Dit is een rapport uit 1981 waarin wordt voorgesteld om bij gevoelige soorten, zoals coniferen, een afstand van 50 meter aan te houden vanaf een veehouderij en bij minder gevoelige tuinbouwgewassen 25 meter. Het onderzoek is echter verouderd. Stichting VMDLT heeft een recenter onderzoek dat op deze website te vinden is.

 

Stank

De stank van veehouderijen wordt getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij. Via een rekenprogramma wordt de geurconcentratie in odour units per m3 (OU/m3) die het bedrijf veroorzaakt, berekend. Deze mag in het concentratiegebied van veehouderijbedrijven (ruwweg het oosten en zuiden van het land) niet meer dan 14 OU/m3 bedragen op woningen buiten de bebouwde kom en niet meer dan 3 OU/m3 op woningen binnen de bebouwde kom. Buiten het concentratiegebied (vooral in het noorden en westen) geldt als norm: 8 OU/m3 buiten de bebouwde kom en 2 OU/m3 binnen de bebouwde kom.

 

De gemeente kan deze normen in een verordening sterk wijzigen.

Als de normen in de oude vergunning al werden overschreden, mag de norm in de nieuwe vergunning hoger blijven. Hij mag echter niet hoger worden als in de oude vergunning. Ook dan is het weer zaak de oude vergunning goed te controleren (zie hierboven onder ammoniak). Wanneer in de nieuwe vergunning de veestapel uitbreidt met toepassing van emissie-arme technieken (Groen Label stallen) dan mag de helft van de stankwinst die dat oplevert opgevuld worden door extra dieren te gaan houden. In dat geval moet dus de totale geurconcentratie onder de nieuwe vergunning lager zijn dan onder de oude vergunning.

 

Geluid

Op het platteland geldt in de regel dat als geluidsnorm een geluidsbelasting van 40 dB overdag, 35 dB ’s avonds en 30 dB ’s nachts voorgeschreven wordt. Hogere geluidsniveaus mogen in principe alleen maar toegestaan worden als het achtergrondgeluidsniveau in de omgeving ook al hoger is (bijvoorbeeld omdat het bedrijf aan een drukke weg ligt). Ook kan het zijn dat de gemeente een speciale geluidsnota heeft opgesteld. Dan kunnen er andere normen gelden, die staan beschreven in die nota.

 

Voor speciale bedrijfsactiviteiten die minder frequent (regelmatig of incidenteel) voorkomen, kunnen ruimere voorschriften opgenomen worden. Die voorschriften moeten dan wel apart in het voorschriftenpakket vermeld staan. Dat wordt nog wel eens over het hoofd gezien.

 

Wanneer er huizen in de buurt van het bedrijf staan, kan niet zondermeer aangenomen worden dat de geluidsnormen haalbaar zijn. Dan is het belangrijk dat een akoestisch rapport wordt opgesteld door de aanvrager. Dat gebeurt tegenwoordig steeds vaker.

 

Als de oude vergunning hogere geluidsnormen voorschreef, is dat op zichzelf geen reden om in de nieuwe vergunning weer ruimere normen toe te staan. Soms wordt dat echter toch gedaan.

 

Fijn stof

Veehouderijbedrijven leveren ook een belangrijke bijdrage aan de achtergrondconcentratie aan fijn stof. Hiervoor gelden 2 normen: de jaarnorm en de dagnorm. De jaarnorm houdt in dat de concentratie aan fijn stof niet hoger mag zijn dan 40 µgr per m3. De dagnorm betekent dat maximaal 35 dagen per jaar de concentratie hoger mag zijn dan 50 µgr per m3 als vierentwintig-uur gemiddelde concentratie. De dagnorm is in de praktijk het belangrijkste, want uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat deze al overschreden wordt wanneer de jaargemiddelde concentratie hoger is dan 31,2 µgr per m3.

 

De normen gelden op de grens van de inrichting en niet alleen bij woningen van derden. Daar wordt nog wel eens aan voorbijgegaan. Omdat emissiepunten soms erg dicht bij de grens van de inrichting liggen, is dit wel van belang.

 

De achtergrondconcentraties aan fijn stof vind je hier. Emissienormen van veehouderijdieren zijn in dit rapport aan te treffen (zie tabel 2.3). Nog niet volledig duidelijk is of deze normen door de Raad van State geaccepteerd worden.

 

Pas als de eigen bijdrage van het bedrijf groter is dan 0,4 µgr per m3 is hij voor de wetgeving relevant. In het zojuist genoemde rapport is in tabel 3.6 aangegeven bij welke aantallen dieren op verschillende afstanden een concentratie van 1,2 µgr per m3 wordt veroorzaakt. Dit geeft dus een indicatie.

 

Als de eigen bijdrage van het bedrijf plus de achtergrondconcentratie hoger is dan 31,2 µgr per m3 kan de vergunning in principe niet verleend worden vanwege overschrijding van de dagnorm.

 

In de Nederlandse wetgeving wordt nu nog in de berekening van de jaargemiddelde concentratie en van het aantal overschrijdingsdagen voor de dagnorm een aftrek doorgevoerd om te corrigeren voor de natuurlijke zeezoutconcentratie in de lucht. Dit heet de zeezoutaftrek of de zeezoutcorrectie. Het is de vraag of dat niet in strijd is met Europese regels. De milieubeweging vecht deze zeezoutaftrek aan, maar er zijn nog geen uitspraken van de Raad van State over. Via de zeezoutaftrek wordt het aantal overschrijdingsdagen met 6 verminderd. De correctie voor de jaarnorm verschilt per gemeente, maar bedraagt in de meeste gemeentes in het concentratiegebied 3 µgr per m3. De zeezoutaftrek wordt massaal toegepast, maar het is dus zinvol om te controleren of er zonder zeezoutaftrek ook nog aan de norm voldaan wordt.

 

Bovenstaande informatie is globaal. Veel meer informatie is hier te vinden.

 

NATUURBESCHERMINGSWETVERGUNNINGEN

 

Procedure

Natuurbeschermingswetvergunningen worden afgegeven door de provincie. Tegen een vergunning kan eerst bezwaar aangetekend worden bij de provincie (binnen 6 weken). Vervolgens wordt een beslissing op het bezwaarschrift genomen. Daartegen staat dan weer binnen 6 weken beroep open bij de Raad van State. Voor de beroepsprocedure geldt verder hetzelfde als bij de milieuvergunningen.

 

Ammoniak

Bij natuurbeschermingswetvergunningen gaat het om de ammoniakdepositie op Natura2000-gebieden of op natuurmonumenten. Alleen gebieden die uitsluitend onder de Habitatrichtlijn vallen, worden nog aan de Wet milieubeheer getoetst. Een lijst met Natura2000-gebieden vind je hier.

 

Van belang bij de Natura2000-gebieden is de kritische depositiewaarde. Dat is de depositie die een natuurgebied nog net kan verdragen zonder dat er schade optreedt. De hoogte van de kritische depositiewaarde is afhankelijk van het type natuurgebied. In de meeste gevallen is de achtergrondbelasting met stikstof al zo groot dat de kritische depositiewaarde al (fors) wordt overschreden. Een kaart met achtergronddeposities vind je hier. De ammoniakemissie van een bedrijf mag dan in principe niet toenemen, want ook ammoniak is een stikstofbron.

 

Veel gemeenten geven nog vergunningen af tot een ammoniakdepositie ter hoogte van 5 % van de kritische depositiewaarde. Vanuit de milieubeweging is er veel kritiek op dit beleid omdat het toenames toestaat in al overbelaste situaties. Onlangs is er een vergunning geschorst op basis van dit beleid. Het is dan ook zinvol dit beleid aan te vechten.

 

Provincies voeren bovendien het beleid dat bedrijven die al langer bestaan, maar nog niet eerder een Natuurbeschermingswetvergunning hadden, en die eigenlijk een te hoge ammoniakdepositie veroorzaken op een natuurgebied, toch een vergunning kunnen krijgen op basis van de omvang van de veestapel in 2005, omdat toen de nieuwe Natuurbeschermingswet in werking trad. Dat is een aanvechtbaar uitgangspunt omdat daarmee alle bedrijfsuitbreiding voorheen gelegaliseerd wordt. Je kunt aanvoeren dat bedrijfsuitbreidingen die hebben plaatsgevonden nadat het natuurmonument als beschermd gebied was aangewezen, niet vergund zouden behoren te worden.